Posts tonen met het label Persoonlijke proza. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Persoonlijke proza. Alle posts tonen

woensdag 4 maart 2020

Het lattemeisje

We namen plaats bij het zitje bij de open haard met de makkelijke fauteuils bij het tot Grand Cafe omgedoopte Bakker Bart in het centrum van Emmen, mijn vriendin en ik. Dat doen we vaker. Om bij te praten tijdens een lekkere lunch, met koffie en een taartje na. Urenlang zitten we daar, en hebben nooit gebrek aan praatstof. De middagen verlopen meestal volgens hetzelfde ritueel. Eerst plaatsnemen, even praten. Dan haalt een van ons een overheerlijk echt Bakker Bart Broodje met een gezonde smoothie. Na een paar uur drinken we koffie en nog een keer koffie (2e is gratis) met een taartje. De gesprekken gaan over het leven, de mensen die het dichtst bij ons staan, de teleurstellingen, het verdriet, de verwachtingen die bijna nooit worden ingelost. Het eindeloos zoeken naar wat waardevol en zinvol is. Over verbinding. Over het loslaten van negatieve gedachtenprocessen. Hoe moeilijk dat is. Maar vooral lachen we veel, genieten van elkaars verhalen.
Om ons heen is het een komen en gaan van gasten. Bejaarde echtparen, maar ook jonge verliefde stellen die niet van elkaar kunnen afblijven. Jongeren die even tijdens een tussenuur luidruchtig een Bartje komen eten. Moeders, vaders, opa’s en oma’s. Een eindeloze variatie aan clusters die elkaar niet kennen maar geen enkele moeite hebben om tijdelijk dicht op elkaar te zitten aan de tafeltjes met stoelen en banken.

Vandaag waren we wat later dan anders. We hadden thuis al geluncht, dus geen Bartje vandaag. Net zoals anders namen we wel weer even plaats zonder consumptie. Tegenover ons zat een jonge vrouw, een meisje bijna nog, die, zo leek het, met haar huiswerk bezig was. Ze bladerde druk in boeken en schriften. Voor haar op het tafeltje stond een latte macchiato, waar ze af en toe een slokje van nam.
Ondertussen ontspon zich zoals gewoonlijk weer een levendig gesprek tussen mijn vriendin en mij.
Na ongeveer een half uur bedachten we dat we maar eens een kopje koffie moesten halen. Vriendin toog naar de de balie om haar bestelling te doen, toen ze ontdekte dat het huiswerk latte meisje naast haar stond. Ze had net twee thee besteld. Deze thee is voor jullie, zei ze. Niet begrijpend keek vriendin haar aan en zei; voor ons? Ja zei ze, voor jullie. Ik had uw vriendin ingeschat dat zij wel een muntthee zou lusten. En nu u hier toch bent kunt misschien voor uzelf een smaakje uitkiezen. Haar bedoeling was dat ze ons wilde verrassen omdat we nog geen consumptie hadden. We krijgen thee, zegt mijn vriendin toen ze terugkeerde naar ons zitje. En in haar kielzog liep het latte meisje met een dienblad met dampende theekopjes met zakjes munt en rooibosthee. Met koekjes ernaast.
Uitbundig dankten we haar. Vriendin had haar, uit het zicht van mij, al een knuffel gegeven. Zo lief van je! Maar vertel eens, vroeg ik, waarom doe je dit, met welke reden? Want ik kon me bijna niet voorstellen dat er geen achterliggende reden was. Ik dacht al aan een verkooptrucje, of dat ze ons wilde komen vertellen dat ze Jezus had ontdekt, en ons daar mee wilde verblijden.
Maar het meisje keek mij aan en zei: Gewoon, ik wilde wat goeds doen, meer niet. Ze lachte vriendelijk, en terwijl ze haar jas dichtritste, draaide ze zich om en liep naar de uitgang, de deur door, het marktplein op.

 Ik kon haar nog even volgen via de grote glazen ramen, tot ze verdween tussen de mensen...

zondag 7 april 2019

Wonderen







Het blijft me bezighouden: het fenomeen ‘toeval’, ofwel een samenloop van omstandigheden, die schijnbaar in een oorzakelijk verband gebracht kunnen worden, ofwel het openstaan voor wonderen in het dagelijkse leven. Ik schreef er al verscheidene stukjes over. 
Het afgelopen weekend was een weekend vol liefde, vriendschap, waardevolle gesprekken en schijnbaar ‘toevallige ontmoetingen’ die na elkaar plaatsvonden, maar die later in een zeer zinvol verband gebracht konden worden. Waardoor we de verwerking van grote verliezen die we hebben geleden (de dood van mijn vriendin en een jaar later de zelfmoord van de dochter van mijn vriendin) in een nieuw perspectief konden zetten.
Mijn jongste kleinkinderen bleven logeren. Mark van vier, en Lieke van drie jaar. We sliepen met zijn drieen in het kleinste, maar ozo gezellige logeerkamertje. Dat wil zeggen dat de kinderen sliepen en ik de hele nacht wakker ben gebleven, omdat ik elke ademhaling van de kinderen bleef volgen. Ik besloot me over te geven aan de rust van het veilige gevoel de kinderen die onder mijn hoede waren, zo dicht bij me te hebben. Nog steeds ben ik niet bekomen van het wonder kinderen te hebben, en nu lag ik hier met de kinderen van mijn kinderen.

‘s Ochtends om vijf uur kwam Mark bij me in het smalle bed liggen. Dat wassie zo gewend bij papa en mama thuis in het Kingsize bed! Hij had eigenlijk wel zin om ‘naar beneden te gaan’, maar ik kon hem overtuigen dat het nog nacht was en hij beter nog even kon gaan slapen. Maar ik heb nog een vraag voor je oma, zei hij met een klein, maar glashelder stemmetje. Kan jij vandaag een driehoek voor mij maken? Weet je wat dat is, een driehoek? Nog net in het vage schijnsel, komend vanuit een binnendringend licht van een lantaarnpaal via de gesloten, witte gordijnen, kon ik zijn handjes en vingertjes zien, die in de lucht de omtrekken van een driehoek tekenden. Zag je het Oma wat ik bedoel? Twee lijnen, zo schuin, met een puntje en streepje eronder. Natuurlijk, zei ik. Maar wil je dat ik een driehoek voor je teken, of wil je dat ik er een maak van je Knexx. Er kwam geen antwoord. En in hetzelfde schijnsel zag ik zijn gezichtje op het kussen in volmaakte rust. Hij was weer in slaap gevallen. En ik was wakkerder dan ooit. Ik hoorde Lieke die even in haar slaap een fragment van een liedje zong. Iets van K3. He yo he ya mamani de he jo..
En toen werd het ochtend, 6 uur 30. Gaan we nu naar beneden, vroegen ze in koor met blije gezichtjes. Ja hoor, dat gaan we doen. Hoera! Na de melk en het brood en het fruit keken we op tv naar een filmpje over drie kindertjes, die een vergrotings -en verkleiningsmachine hadden. Zo konden ze zichzelf en de wereld om zich heen afwisselend in groot -en klein perspectief bekijken. Een schitterende symboliek. Maar toen maakte een essentieel deel van de machine zich los en ging zelfstandig op pad, de grote wijde wereld in. De kinderen die net in hun kleine wereld zaten, konden zich niet meer groot maken. Ze moesten daarom op zoek naar het belangrijke deel. Het deel dat klonk als muziek. De muziek van Antonio Vivaldi. De Vier jaargetijden: De Lente. De kinderen moesten dus opzoek naar het geluid van de Lente. En dat deden ze.
Mark en Lieke keken en luisterden. Om de kinderen van de film te helpen de muziek te vinden, zongen ze luidkeels mee. Voor mij was het ontroerend de muziek te horen, in deze context, omdat toen mijn lief en ik trouwden, bij het binnenkomen in de trouwzaal deze muziek werd gespeeld.  De film liep uiteraard goed af. De kinderen vonden het ontbrekende stuk en konden verder met hun leven.
Na afloop zei ik tegen de kinderen: hoe vonden jullie deze muziek? Ze zeiden dat ze het mooi vonden. Oma heeft deze muziek ook, op cd, willen jullie het horen? Ja, ja, riepen ze. Ik loop naar de kast met de eindeloze rij cd’s en zoek naar de bewuste titel. Dan zie ik hoe Mark trefzeker een cd aanwijst, en zegt: hier issie al Oma, dit is ‘m. Hij pakt de cd eruit en geeft hem aan mij. Hij kijkt mij aan, en het lijkt of zijn mooie bruine ogen een extra licht weerkaatsen. Ik ben sprakeloos. Het was de cd van Antonio Vivaldi: The four Seasons.
Ik hoef voor dit wonder geen verklaring te hebben. Ik aanvaard gewoon dat dit bestaat, dat ik dit ervaar. En dat ik daardoor mijn leven weer even voel opgetild boven het alledaagse..
En zo is het ook.


Eerder gepubliceerd op het verdwenen Zonzijde weblog, 2008.

donderdag 1 februari 2018

Droom

Zoals bijna elke ochtend word ik wakker uit een droom. Vanuit deze diepste gevoelswereld afscheid moeten nemen om de realistische wakkere wereld toe te laten is steeds weer een kleine worsteling. Want vaak wil ik liever nog even blijven waar ik was. Om te zien hoe het 'verhaal' zich verder ontwikkelen zou. Want, hoe onsamenhangend de beelden zich in de droom ook vertonen, met de bijbehorende emotie van die momenten, lijkt zich toch een chronologisch verhaal met aan het eind een bevrijdende pointe af te spelen.
Eenmaal wakker zijn de beelden alleen nog maar als losstaande indrukken terug te halen, die vrijwel niets te maken lijken te hebben met mijn wakkere, realistische leven.
Het raadplegen van een dromenboek over wat de betekenis zou kunnen zijn van datgene dat als meest manifeste beeld uit mijn droom in mijn geheugen is blijven hangen, geeft mij bijna nooit het antwoord op de vraag waarom ik nu juist die droom heb gehad.
Soms blijft er alleen een zwaar gevoel van weemoedigheid over bij het wakker worden, of ook wel een bevrijding omdat kennelijk in de droom iets knelde in alle hevigheid.

Maar een enkele keer word ik wakker met het besef dat droom en werkelijkheid dichter bij elkaar staan dan ik dacht of heb ervaren. Als een openbaring.

De droom:

Ik bevind mij in het gezelschap van een aantal mensen, mannen en vrouwen. De omgeving lijkt op een vakantieoord. De mensen zijn ontspannen en vrolijk. Ze lijken het leuk te hebben met elkaar. Ik ben alleen, zonder partner. Ik voel mij niet echt eenzaam, maar toch kijk ik om mij heen en probeer contact te maken met willekeurige mensen. Het gaat moeizaam. En net als ik denk dat ik maar alleen verder ga, zie ik een man met donker haar, die in gesprek is met een vrouw. Ik zie hem van opzij, en het valt mij op hoe hij intens naar haar luistert.
En dan begint de magie. Ik verlang hevig om door deze prachtige man te worden gezien. Dan voel ik plotseling zijn aanwezigheid vlak bij mij. Een diep gevoel van verbondenheid overweldigt mij. Ik durf niet te spreken met hem, omdat ik bang ben de magie te verbreken. En dan, alsof hij aanvoelt dat ik een allesoverheersend verlangen heb om heel dicht bij hem te zijn, kust hij mij, warm en geruststellend. Ik hoor mijzelf zeggen; ik heb het gevoel dat ik jou al honderd jaar ken. Dan kijkt hij mij recht aan, en zie ik zijn ogen die blauw zijn. Het mooiste blauw dat er bestaat.
Ik zie in zijn ogen het pure kind dat hij ooit is geweest, en mijn liefde voor hem zwelt aan tot grote hoogte.

Dan word ik langzaam wakker, met een gevoel van hevige verliefdheid. Wil nog geen afscheid nemen van de wereld waar ik net nog was. Maar dan voel ik de warmte van mijn man die naast mij ligt, en hoor ik de muziek van Kate Bush in mijn hoofd. The man with the child in his eyes

En ineens begrijp ik dat de man in mijn droom in wezen mijn eigen lieve man is. Dat mijn liefde voor hem ooit is ontstaan door wat hij mij vertelde over zijn jeugd, en hoe ik dan tijdens het vertellen in zijn mooie blauwe ogen keek en ik de jongen die hij ooit was tot leven zag komen. Toen ik begreep dat ik van deze man hield.

Dat gevoel van het begin van ons samen was ik door de jaren heen een beetje kwijt geraakt door de realiteit van het alledaagse bestaan. Overwoekerd door de veelvoud van dingen die elke dag overwonnen moeten worden. Zoals dat dan gaat...

De droom kwam als een geschenk. Mijn liefde voor mijn man is in diepste wezen nog helemaal intact. Wat een heerlijk besef.

En zo kwamen droom en werkelijkheid samen tot een nieuwe werkelijkheid, die ik van ganser harte omarm, en zal blijven omarmen.


Marijke van der Scheer, 1-02-2018



zondag 15 november 2015

Over grenzen

Het was omstreeks 1955. Ik zat in de derde klas van de Lagere School. We kregen les in aardrijkskunde. De onderwijzer had voor het schoolbord een grote kaart van Nederland gehangen.
Met een aanwijsstok met een rubberen punt tikte hij op de kaart en wees ons waar onze woonplaats, Nijmegen, gesitueerd lag. We leerden hoe Nijmegen vlak aan de grens van Duitsland ligt, het land ten oosten van ons land. Ten zuiden de landen België en Luxemburg, en ten westen de Noordzee, die, als je deze zee overstak leidde naar Engeland.
Zo ook in latere lessen over Europa en de hele wereld.
De onderwijzer gaf met de aanwijsstok de lijnen van de grenzen tussen de landen aan. Langzaam gleed de stok over de duidelijk gemarkeerde dik aangezette grenslijnen. Hij maakte dan steevast de lollig bedoelde opmerking dat Engeland, of Groot Brittannië zoals we later leerden, zijn grenzen van de zee had gekregen.
Soms nodigde hij een kind uit om met de stok zijn voorbeeld te volgen. Ook ik mocht een keer grenzen van verschillende landen aangeven. Het viel mij op dat sommige grenzen parallel liepen met rivieren, dus een natuurlijk grens vormden. Maar ook dat grenzen soms dwars door gebergten gingen, of andere natuurgebieden. Dat het landschap niet altijd veranderde als je een ander land bezocht.

Aan het eind van de les mochten we vragen stellen. Niet vaak stelde ik een vraag. Dat kwam niet omdat ik geen vragen had, maar mijn verlegenheid, en de angst voor het misschien stellen van een domme vraag hielden mij tegen.
Maar nu stak ik mijn vinger op, en de onderwijzer knikte naar me. En terwijl ik mij bewust was van alle ogen die op mij gericht waren, vroeg ik: Wie bepaalt eigenlijk hoe de grens tussen de landen moet lopen? En waarom zijn er grenzen gemaakt?
De onderwijzer zuchtte, voor hij zijn antwoord probeerde te formuleren. Dat is haast een filosofische vraag Marijke, zei hij. Ik wist niet wat een filosofische vraag was, maar wel dat de vraag iets teweeg had gebracht bij hem. Dat stelde me enigszins gerust over het niveau van mijn vraag.
Hij vertelde dat het ontstaan van grenzen een lange geschiedenis had, waar je vele boeken over zou moeten raadplegen om daar antwoord op te krijgen. Dat het te ver zou voeren om in een les te behandelen. Maar ook zei hij dat hij het niet wist, er eigenlijk geen antwoord op had. Dat het voor hem ook een vraag was.

Een filosofische vraag dan.

woensdag 24 oktober 2012

Blauwe wolken

  Ik zie wolken; grijze en blinkend witte, en een blauwe lucht.
Vroeger, als kind, tekende ik een witte lucht met blauwe wolken..  Waarom eigenlijk?
  Diep gravend in het verleden, me de sfeer en het gevoel herinnerend van het tekenen op de achterkant van een stuk behang, of op een kladblokje met van dat poreuze papier, waar je beter niet met inkt op kon schrijven of tekenen, omdat er dan van die vlekjes konden ontstaan die geen onderdeel waren van de tekening of de letters van het woord wat je schreef, kwam het antwoord langzaam naar boven.
Ik ben een oerhollands kind, opgegroeid in de stad Nijmegen. En ook daar waren de luchten vaak wit en blauw. Ook vaak loodgrijs, maar daarover een andere keer. Als ik naar boven keek, zag ik meer wit (de wolken) dan het blauw van de lucht. Echt Hollands dus.
Maar ik zag blauwe wolkachtige vormen.  En het wit van de wolken zag ik als de lucht waarin de blauwe wolken zweefden.
Een soort Rorschach effect eigenlijk, maar dan zonder die inktvlek..
De beeldend kunstenaar Therese probeerde mij met haar kennis van zaken duidelijk te maken dat er een logische, minder dromerige verklaring was voor het blauw inkleuren van de wolken, namelijk dat een kind meestal een wit papier aangeboden krijgt om een tekening te maken. Dus als er dan een wolkenlucht gemaakt moet worden, worden er geen witte wolken gemaakt, maar blauwe omdat het wit al ruim aanwezig is.
Tja, heel logisch. Toch voel ik meer voor mijn eigen, niet logische, verklaring. Want hoe meer mij laat verzinken in die langvervlogen tijd waarin ik niets liever deed dan het tekenen van droomachtige landschappen, hoe meer ik er van overtuigd raak dat ik echt blauwe wolken zag zweven.
Therese heeft waarschijnlijk gelijk, want zij is de deskundige op dit gebied.
Maar ik laat mij toch liever meevoeren hoog in de lucht op de blauwe wolken...

donderdag 9 augustus 2012

Uit het barre land

Het boek Uit het barre land van Aleida Leeuwenberg staat al zo'n 35 jaar in mijn boekenkast. Zo nu en dan pak ik het weer eens in mijn hand, om het bijvoorbeeld af te stoffen, maar meer nog om de herinnering aan het verhaal achter dit boek - waardoor juist dit boek tussen alle andere zo speciaal is voor mij - weer tot leven te roepen.

Uit het barre land bestaat uit een verzameling brieven, geschreven door Aleida zelf, gericht aan haar concubijn en huisvader Wobbe. Overigens werd het eerste deel van dit boek geschreven tijdens een moeizame en gevaarvolle tocht per schip door de binnenlanden van Frankrijk, toen man Wobbe nog wel aanwezig was. De twee kinderen Bolle een Ertje zijn dan vijf en één jaar oud. Man Wobbe vertrekt naar Nederland om met betaalde gasten te gaan varen, terwijl Aleida met haar twee kinderen achter blijft in Frankrijk in het gehucht Le Paradis. We schrijven het jaar 1972.

De zeer humoristische stijl van Aleida Leeuwenberg maak het lezen van deze brieven tot een plezierige aangelegenheid. Vaak heb ik scènes herlezen om dan, evenals de eerste keer, weer uitbundig te schateren. Een voorbeeld:

Democratie hoor, je reinste Democratie heerst hier, en Ertje krijgt inspraak. Dat gaat zo:
'Ertje, jij mag kiezen wat we gaan spelen. Wat wil je, boot of vliegtuig?' (zei Bolle)
'Fiegtuig.'
'HèèHèèHèè Wat wil je, rottig vliegtuig spelen of heel leuk boot?'
'Fiegtuig.'
'Bij vliegtuig spelen hoort slaan en schoppen en neerstorten hoor, nou wat wil je, leuk boot of slaan en schoppen en knijpen in een vliegtuig?'
'Fiegtuig.'
'Nou goed dan. We doen vliegtuig. Stap maar in. Ik was de piloot. Vrrrrrrrrrrm Iiiiiiiiiii. BOEM. Het vliegtuig stortte neer. Het kwam in het water. Kijkis, het drijft! Nu is het een boot. We varen!'

We schrijven het jaar 1977.

Ik woonde met man en kinderen in een klein dorp ergens in Nederland. De kinderen waren toen zeven en tien jaar oud. Mijn man werkte als jeugd- en jongerenwerker. En in één van die dagen geschiede het dat hij met een aantal jongeren een boottocht ging maken op een oude tjalk met een echte schipper en zijn vrouw aan boord. Ze zouden drie dagen verblijven op het schip, waar ze het dagelijkse comfort van bad, douche en toilet zouden moeten missen. Uitbundig beschreef mijn man later hoe heerlijk primitief alles was geweest, maar meer nog, hoe ze zich kranig hadden geweerd, de jongeren, als de nood het hoogst was. Het leek bij tijd en wijle wel een verhaal uit Uit het barre land.

Met de schippersvrouw had mijn man een prettig contact, zodanig dat er later, mede door zijn wel erg enthousiaste verhalen over haar, zich een lichte jaloezie van mij meester maakte. (een heel lichte maar hoor).

Hij besprak met haar bijvoorbeeld hoe wij elk jaar weer onze vakantie doorbrachten in Frankrijk, altijd op dezelfde plaats aan de de rivier de Ardeche. Dit jaar wilden we eigenlijk het liefst een keer gewoon in Nederland blijven, maar we hadden nog geen keuze gemaakt waar we zouden willen verblijven. Toen bood de aardige schippersvrouw mijn man haar huis in Makkum aan, waar zij voorlopig toch niet zou wonen omdat zij de hele zomer op het schip zou blijven werken. Het kwam haar goed uit dat het huis af en toe bewoond werd en wij hadden een vakantieadres. En zo geschiede.

Op een mooie warme zomerdag reden we met onze twee kinderen naar het romantische Makkum. Het huisje lag, zoals zoveel huizen in Makkum, aan het water. Vele bruggetjes maakten het mogelijk om naar de overkant van het water te lopen om bijvoorbeeld je overburen te bezoeken. We traden binnen, en toen begon de droom. Het was alsof ik in het binnenste van een schip stapte. Het rook er naar de machinekamer van een schip, of wat ik me zo voorstel hoe een machinekamer van een schip ruikt. De geur van net afgekoelde hete olie? Ook was het alsof ik, door de beschrijvingen in het boek Uit het barre land over het interieur van het schip, in het boek zelf was terechtgekomen.

Het piepkleine halletje hing vol met reddingsboeien, scheepstouwen en zelfs een heus anker. De huiskamer was gemeubileerd met een bank, gemaakt van houten kratten, overlapt met een soort van grand foulard oftewel een oud gordijn. Een kleine tafel ernaast en wat franse stoeltjes completeerden het interieur wat betreft het zitcomfort. Aan de muur hing een schilderij, een aquarel van een tjalk in zware storm. Dwars door de kamer was een lijn gespannen, waaraan een erg stijve spijkerbroek te drogen hing.

Indrukwekkend was de langste muur die geheel bestond uit planken met boeken, veel boeken.

Ze zeggen wel eens: laat mij uw boekenkast zien en ik zal zeggen wie u bent, en ik was benieuwd naar de schippersvrouw, die de bezitster was van deze lange rij leesvoer.

Zo ontdekte ik tussen alle andere, voor mij heel interessante boeken, waar ik vast van plan was, om ze tijdens ons korte verblijf hier er zeker één te lezen, tot mijn grote verrassing ook het boek Uit het barre land. Maar eigenlijk was het toch ook niet zo verwonderlijk dat het boek hier werd aangetroffen. Er waren immers grote overeenkomsten met de hoofdpersoon van het boek en de schippersvrouw die het boek had aangeschaft. Het zal haar om deze reden vast hebben aangesproken.

Een paar dagen later nam mijn man het boek ook eens ter hand en bekeek op de achterflap de foto van de schrijfster Aleida Leeuwenberg. Daarna bekeek hij mij en zei: dat is ze, de schippersvrouw, de vrouw van de schipper waar ik deze zomer mee heb gevaren op die primitieve tjalk!

Ik was dus - mijn gevoel was terecht - bijna letterlijk, in het boek terechtgekomen! Bovendien bleek het gezegde laat mij uw boekenkast zien en ik zal zeggen wie u bent op letterlijke waarheid te berusten...

Een dag later kwam één van de zonen van de vrouw des huizes oftewel Aleida Leeuwenberg, 'schoon goed' halen. Hij logeerde bij een vriendje. Hij trok de droge stijve spijkerbroek van de lijn en verdween binnen een kwartier, na een korte groet en een zwaai weer van het toneel.

Dat moet Bolle zijn geweest.

maandag 12 december 2011

Lieke's antwoord

Het is in de vroege zomer van 2004. Ik ben, zoals bijna elke dag, buiten te vinden in onze heerlijke tuin. Terwijl de zon mijn huid verwarmt, en mijn handen de koele aarde strelen, behoedzaam om het levende groen heenwerkend, dode planten verwijder, de cyclus van het gaan en komen van alles in de natuur heel bewust op mij in laat werken, laat ik mijn gedachten in een vrije val gaan over veel wat er in mijn leven is gegaan en gekomen.

Het was als een helder inzicht.

Ik dacht aan mijn kinderen, en hun kinderen. Mijn kleinzoons. Het rijke gevoel over zoveel weelde. Ik dacht ook aan een meisje, een kleindochter die mijn leven geheel compleet zou kunnen maken. Ik zag haar beeld, haar contouren al voor me, hoewel de aardse conceptie van dit beeldige meisje nog niet had plaatsgevonden. Zou het heel misschien, meneer God, mogelijk kunnen zijn dat…? Dan zou ik nooit meer iets van Hem verlangen.

Een maand later belde mijn zoon me, op een prachtige zomerdag; José is zwanger, zei hij met zachte stem.

Op 9 maart 2005 werd ze geboren: Lieke Annemiek. Ik kon het bijna niet geloven. Ik had een kleindochter! Maar eigenlijk was ze er al heel lang voor mij, maar waar was ze echt, toen ze er nog niet 'was'? Een filosofisch existentiele vraag waar ik me regelmatig in verdiep en dan hopeloos verdwaal in mogelijke antwoorden.

Daar is ze
daar ligt ze
ogen neus mondje
handjes met vingertjes
volkomen zoals het hoort
rugje buikje het is een meisje
beentjes met voetjes precies tien teentjes
zomaar is ze daar alsof er niets aan is vooraf gegaan
als door een toverfee getoverd

En nu zit ze naast me op de bank. Ze is vier jaar. We hebben samen boekjes gelezen, spelletjes gedaan, en een kleine conversatie komt op gang. Ze vertelt me hoe ze het op school vindt, en wie haar beste vriendinnetje is. Maar het liefst speelt ze met buurmeisje Willemijn. Ik voel me zo verbonden met haar, ze tovert beelden van mijn eigen kindertijd voor mijn geestesoog. En ineens voel ik dat ik haar gewoon kan zeggen hoezeer ik heb verlangd naar het meisje dat nu naast me zit.

En ik begin: Lieke, lang voordat jij geboren was, en zelfs nog lang voor dat jij bij mama in de buik zat…

Toen was ik nog bij God, zegt ze op overtuigend, onbevangen toon. Ja, natuurlijk, toen was ze nog bij God, waar anders? De vraag waar je was voor dat je bestond, is voor haar makkelijk te beantwoorden. Sterker nog, ze vraagt het zich niet eens af.

Gewoon bij God dus.

En ik ga verder, en vertel haar hoe ik in de tuin aan het werk was en dacht hoe heerlijk het zou zijn als mama en papa nog een kindje zouden krijgen en dat het kindje dan een meisje zou zijn…
Lieke kijkt me aan en knikt. Het lijkt alsof ik via haar ogen in haar ziel kan kijken, waar de waarheid over waar ze was voor mij zou worden geopenbaard. Ik houd mijn adem in, en wacht op wat ze gaat zeggen. Maar ze zegt niets en kijkt me alleen maar aan met die ogen.

Vindt je dit niet heel bijzonder Lieke?

Een lichte euforie maakt zich van mij meester. Ze begrijpt me, weet ik ineens zeker. Ik kijk haar verwachtingsvol aan. Weer knikt ze me welwillend toe, glimlacht en knippert even vriendelijk met haar ogen en zegt: Ja, maar oma..

Ik kijk naar haar gezichtje dat me nog steeds liefdevol aankijkt, en denk; wat gaat ze zeggen, welke intelligente spirituele vraag gaat zij mij stellen, opdat ik nog meer in haar ziel kan kijken, nog meer inzicht krijg in waar ze was voor ze werd geboren, of zelfs nog voor ze werd geconceptioneerd?

Oma… mag ik dan nu naar Willemijn?

En toen landde ik weer op aarde…

En zag dat het goed was, heel goed.



Eerder gepubliceerd op Zonzijde weblog

zaterdag 19 november 2011

Self-fulfilling Prophecy

Op een eerder log schreef ik al eens over bezieling, en over de behoefte bij mij om van een hogere macht antwoord te krijgen op vragen.
De pluraliteit en gecompliceerdheid van het leven van elke dag roepen meer vragen op dan antwoorden. Schrijf daar maar eens een inspirerend verhaal over met een duidelijke pointe. Want wat moet je kiezen? Er is zoveel dat het schrijven waard is. Je kunt schrijven over persoonlijke gebeurtenissen, maar ook je gedachtenspinsels over alles zodanig verwoorden dat het voor de lezer interessant is om daar deelgenoot van te worden. Op het moment dat ik dit schrijf tuimelen beelden, herinneringen, gevoel bij de beelden en herinneringen door elkaar. Maar chaos is niet te beschrijven, althans bij mij niet.

Ik moet een keuze maken. Ik wil een antwoord op de vraag wat en hoe ik moet kiezen. Dan doe ik wat ik vaker doe: ik pak een boek uit mijn boekenkast die op armlengte afstand te pakken is vanuit mijn zitplaats achter de computer. Ik blader willekeurig zonder echt te kijken en laat dan het boek openvallen op een toevallige bladzijde en lees wat er staat:

Uit het boek: Zen En De Kunst Van Het Motoronderhoud:

Ze kon nog steeds niets bedenken om te schrijven en ze begreep niet waarom ze, wanneer ze niets kon bedenken over heel Bozeman, wel iets zou moeten kunnen schrijven over één straat.
Hij was woedend. “Je kijkt niet!” zei hij. Voor ieder feit bestaat er een oneindig aantal hypothesen. Hoe meer je kijkt des te meer zie je. Beperk je tot de gevel van één huis in de hoofdstraat van Bozeman. De Opera. Begin met de steen linksboven…"



Ik ga mij nu concentreren op de eerste steen van mijn volgende column, of gedicht…


Eerder gepubliceerd op Zonzijde weblog

donderdag 1 september 2011

Vroeger en nu

In de afgelopen week heb ik eindeloos gedwaald door de straten mijn jeugd. Confronterend en tegelijkertijd geruststellend. Want veel is er niet veranderd in die oude wijk. In het parkje aan het eind van de straat waar ik woonde is een uitlaatplaats voor honden gemaakt. Verder ademt het nog de oude sfeer van handstandje spelen in het gras en bloemtakken breken van de rozebloemige Japanse Sierkers om de stoel van mama te versieren op moederdag.
Het kerkje aan de rand van het park begrensd door het lage muurtje waarop je makkelijk kon lopen is onveranderd.

Het was een wijk met de bakker en de melkboer ‘om de hoek’. Bij één van die winkels woonde meneer en mevrouw Ebben. Gewoon ‘Ebben’ in het dagelijkse spraakgebruik. Zij hadden een winkel waar zij groente en fruit verkochten, maar ook wasmidddelen en het schoonmaakmiddel ‘Abro’ in een fles met in zijn binnenste een verse plastic druk-kraal voor de verzameling. Pas als de fles leeg was kon je de kraal te pakken krijgen. Ook kon je er wit/zwart, dropveters, kauwgomballen (voor een cent), zoethout en brokken druivesuiker, in de volksmond ‘Jodenvet’ geheten kopen. Joost mag weten waarom. Maar zo mochten mijn zusjes en ik de witte brokken niet noemen, want dat was oneerbiedig. Er werd geen uitleg bij gegeven, maar toch begrepen we het.
De winkel bestaat niet meer maar het pand nog wel. Je kunt de ‘winkeldeur’ nog zien omdat de omlijsting nog bestaat maar nu ingevuld met beton. Hoevaak hebben mijn kindervoeten het nu nog bestaande en nu zinloze stoepje ervoor betreden?

En dan het pand van Jan Steen, die een rookwarenzaak had. Hij woonde in zijn eentje in het grote huis boven de winkel. Het pand staat er nog steeds. Als men destijds sprak van ‘een huishouden van Jan Steen’, dacht ik dat het ging over het eenvoudige leven van deze Jan Steen en begreep daarom ook nooit wat daar mis mee was.
Mijn moeder rookte en het kwam nogal eens voor dat ze even na zessen tot haar schrik moest constateren dat ze niks meer te roken had. Ons werd dan gevraagd of we niet nog even konden kijken of Jan Steen nog in de winkel was. Zo niet moesten we maar aanbellen aan de voordeur. Jan Steen was altijd bereid te helpen, maar was doodsbang dat de politie hem zou betrappen op ‘verkoop na zes uur’. Hij liet ons dan wel binnen en dook in de winkel voor het pakje Caballero, schichtig om zich heen kijkend of niemand het zag, vervolgens deed hij de voordeur open, keek dan of er echt geen politie hem zou kunnen betrappen en gaf ons dan sissend het sein om er als een speer door de even geopende voordeur vandoor te gaan.

Voor mijn ouderlijk huis bleven mijn zusjes en ik even staan. De buitenkant met de oude deur met het raampje met gordijntje en de versierde bovenlijst. De vensterramen met de ruitlijsten en de halve boog erboven. Nog net zo als veertig jaar geleden. Het was alsof we gewoon aan konden bellen, waarna zoals vanouds het hoofd van mijn moeder zou verschijnen achter het het raampje terwijl ze het gordijntje met één hand opzij hield.. Het was nog steeds ons huis..

Ik weet en voel dat er wel iets aan het veranderen is, in mijn hoofd. Steeds minder moeite heb ik met het loslaten van het verleden, ondanks dat ik merk dat het verleden naarmate ik ouder word steeds dichterbij komt. Maar steeds minder verlang ik terug naar het verleden omdat het heden me zoveel goeds heeft gebracht. Ik, wij, leven in hetzelfde tijdperk, als je de eeuwigheid als maatstaf neemt, en niets gaat echt voorbij. Als ik zo nu en dan toch word overvallen door een nostalgisch gevoel, koester ik dat als een geschenk omdat ik dankbaar ben dat het verleden me niet bedrukt, ondanks de zware tijden die het ook heeft gekend.

Het gaat goed zoals het gaat..

Het verleden dichtbij
de toekomst al geweest
de tijd is
altijd
Nu

(Eerder geplaatst 25 juli 2005 op dezonzijde.web-log.nl, en op Driemaaldrie 19 februari 2010)