zondag 13 november 2016

Verlangen

In de ochtend zie ik
wat in de avond verviel

in nieuw licht

ik lijst het in, dit beeld
om het bij mij te houden

te kunnen blijven zien

maar het verandert
naarmate de dag vordert

het licht vervaagt

in de middag bevrijd ik het beeld
uit de krappe omheining

laat het gaan in oneindigheid

Als de avond valt
wacht ik op een terugkeer

tot de ochtend het mij brengt

vrijdag 21 oktober 2016

Met andere ogen

Elk jaar verblijven wij, Samuel met vrouw Lisa en dochter Sara een aantal dagen in Londen waar wij rond Kersttijd in ons eigen vertrouwde Joodse eethuis waar het altijd druk is, een hapje te eten. We hadden niet gereserveerd, dus toen wij met hongerige magen het etablissement binnenliepen, kwam ons een bediende met verontschuldigende blik tegemoet, die vertelde dat hij ons helaas geen plaats aan kon bieden. Een ander, voor ons geschikt, restaurant zoeken zou op deze eerste Kerstdag een onmogelijke opgave zijn. En zo kwamen wij, als Joods gezin met een lege maag, die de lichte tegenzin verdoezelde, terecht bij het ernaast gelegen 'Shiskebab', een Arabisch restaurant.

Wij werden begroet door een in Europese stijl geklede jongeman, die ons een tafel aanbood vlak naast een Arabisch echtpaar met een dochtertje, die de mooiste ogen bezat die ik ooit had gezien. Eén van de bedrijvige obers, die overigens wel gekleed waren in origineel Arabische stijl, liep op hun tafel toe en bood met een breed gebaar het kleine meisje een schaal met de kleurigste vruchten aan. De beeldschone dreumes bekeek de schaal met ongeïnteresseerde blik. Vervolgens richtte ze zich naar haar moeder en fluisterde wat in haar oor. De moeder sprak het kind op vermanende toon toe. De Drosteflikken-ogen vulden zich met een meer van tranen. De vader, die al die tijd schijnbaar niet aanwezig was en half slapend de maaltijd bijwoonde, werd plotseling actief. Hij richtte een serie, voor ons onverstaanbare, woorden tot zijn vrouw, die op haar beurt in onvervalst Arabisch hem van repliek diende. Het klonk ruzieachtig. Hun gezichten stonden strak van woede. Het hele tafereel was blijkbaar alleen voor ons interessant, daar niemand van de overige aanwezigen er ook maar de minste aandacht aan schonk.

Voor mij was het ronduit verbijsterend, de manier waarop beide ouders -schijnbaar- hun opvoedkundige mening aan elkaar verkondigden. Maar het kon evengoed een uiting zijn van een strijd die zijn wortels had in verschil van afkomst van beide echtelieden. Ondertussen was het meisje van tafel opgestaan en trachtte zich op de schoot van haar vader te nestelen. De woordenstrijd ging onverminderd door, terwijl het meisje nadat ze haar "zit" gevonden had, met de duim in de mond in slaap viel.

Ook aan Lisa was een en ander niet ongemerkt voorbijgegaan. Ik maakte dat op uit de verbaasde, nieuwsgierige blikken naar het kijvende echtpaar en de vertederende blikken naar het onweerstaanbare kind. Dochter Sara hield er zo haar eigen gedachten op na, die ze na een tijdje ook uitte: "Waarom zouden ze ruzie hebben, papa?" Maar papa wist het niet, eigenlijk wist papa helemaal niets meer. Opeens kwam alles me zeer onwerkelijk voor. Was het de vrij pittige wijn, die maakte dat alles anders leek, of de vragen, die in me opborrelden vanaf het moment dat wij het restaurant betraden en ik het echtpaar met het kind in het vizier kreeg? Was de man misschien Joods? De vrouw was ontegenzeglijk wel Arabisch. Mijn gemoedsstemming liet toe dat wat mij betreft vanaf dat moment alles mogelijk was. Van een inval door een van vergeldingsdrang bezeten vijand tot aan het wakker worden in mijn bed na een vermoeiende droom.

Wat was er met me aan de hand? Gewoon een sentimentele Kerststemming? Want ook ik als Jood in een voornamelijk Christelijke omgeving ben ontvankelijker geworden voor de speciale gemoedstoestand die hoort bij deze tijd van het jaar. Of kwamen mijn latent aanwezige schuldgevoelens -vanwege de ongemakkelijke motivering om hier te eten- toch nog hun venijnige koppen opsteken? Ik kwam er niet uit. Het was of alles een betekenis kreeg, met een diepere symboliek, die mij in verwarring bracht. Was het voorbestemd dat ik als Jood uitgerekend met Kerstmis in een Arabisch restaurant terecht moest komen? Ik zocht om me heen en in mijzelf naar iets wat me het gevoel gaf dat alles goed was zoals het was.

Er kwam nog een late gast binnen, het was een jonge man. Hij keek even om zich heen en verdween toen richting toilet achter een rood gordijn. Even later nog een gast, weer een man, wat ouder dan de eerste, en ook hij verdween achter het rood fluwelen gordijn. De onrust die ik al voelde, werd vermengd met vage angstgevoelens. Maar waar was ik bang voor? Ik voelde me niet veilig meer. De hele omgeving begon op mijn zenuwen te werken. Overal zag ik opeens verdachte personen die het op zijn minst op ons leven hadden voorzien. Zelfs het kleine meisje, dat eerst zo fascinerend leek, kreeg iets bedreigends voor me. Het kind was wakker geworden en had zich van de schoot van haar vader laten glijden tot onder de tafel, waar ze zachtjes een Arabisch kinderliedje begon te zingen. De echtelijke twist was intussen geluwd.

Het volgende moment werd alles duister voor mijn ogen. Blijkbaar ook voor de andere aanwezigen, want ik hoorde vage kreten, geschreeuw, heen en weer lopen, en ik voelde dat mijn paniek een hoogtepunt bereikte. Ik hoorde mijn dochter zeggen, "waarom gaat het licht niet gewoon aan?" Voor haar was alles doodsimpel. Het licht was uit, dus moest het weer aan.

Toch nam deze simpele vraag iets van de paniek weg, die ik met moeite onder controle wist te houden. Ik kreeg vluchtneigingen, en begon te lopen, zoekend langs de tafels, vluchtig mensen aanrakend, opzoek naar licht in mijn duisternis. Ineens voelde ik een klein warm lichaampje, dat zich stevig tegen me aandrukte. Het volgende moment verschenen er hier en daar lichtjes op de tafels, kaarslicht. Ik staarde verbijsterd naar het kleine Arabische meisje dat naar mij omhoog keek. Haar zwarte ogen waren zo dood als poppen-ogen.

Het incident had een ongelofelijke uitwerking op me. Mijn bevangen geest had spoken gezien. Ik meende dat alles door visuele waarneming te beredeneren was, maar wat ik zag was bedreigend voor me geweest, vanaf het moment dat ik Shiskebab had betreden. Het onbevangen meisje met haar prachtige ogen had dat gevoel alleen maar versterkt. Intuïtief voelde ik dat zij iets bezat wat ik miste, innerlijke overgave, vertrouwen, niet geremd door visuele waarneming.

"Wat zielig hè, dat meisje is blind" hoorde ik mijn dochter zeggen. Ik keek haar aan en mijn hart stroomde over van vreugde.


Dit verhaal is ingezonden voor de verhalenwedstrijd van STEM met als thema DUISTER. Ik publiceer het nu hier omdat mijn bijdrage niet is geselecteerd voor de bundel met de vijftien beste ingezonden verhalen.

zondag 15 november 2015

Over grenzen

Het was omstreeks 1955. Ik zat in de derde klas van de Lagere School. We kregen les in aardrijkskunde. De onderwijzer had voor het schoolbord een grote kaart van Nederland gehangen.
Met een aanwijsstok met een rubberen punt tikte hij op de kaart en wees ons waar onze woonplaats, Nijmegen, gesitueerd lag. We leerden hoe Nijmegen vlak aan de grens van Duitsland ligt, het land ten oosten van ons land. Ten zuiden de landen België en Luxemburg, en ten westen de Noordzee, die, als je deze zee overstak leidde naar Engeland.
Zo ook in latere lessen over Europa en de hele wereld.
De onderwijzer gaf met de aanwijsstok de lijnen van de grenzen tussen de landen aan. Langzaam gleed de stok over de duidelijk gemarkeerde dik aangezette grenslijnen. Hij maakte dan steevast de lollig bedoelde opmerking dat Engeland, of Groot Brittannië zoals we later leerden, zijn grenzen van de zee had gekregen.
Soms nodigde hij een kind uit om met de stok zijn voorbeeld te volgen. Ook ik mocht een keer grenzen van verschillende landen aangeven. Het viel mij op dat sommige grenzen parallel liepen met rivieren, dus een natuurlijk grens vormden. Maar ook dat grenzen soms dwars door gebergten gingen, of andere natuurgebieden. Dat het landschap niet altijd veranderde als je een ander land bezocht.

Aan het eind van de les mochten we vragen stellen. Niet vaak stelde ik een vraag. Dat kwam niet omdat ik geen vragen had, maar mijn verlegenheid, en de angst voor het misschien stellen van een domme vraag hielden mij tegen.
Maar nu stak ik mijn vinger op, en de onderwijzer knikte naar me. En terwijl ik mij bewust was van alle ogen die op mij gericht waren, vroeg ik: Wie bepaalt eigenlijk hoe de grens tussen de landen moet lopen? En waarom zijn er grenzen gemaakt?
De onderwijzer zuchtte, voor hij zijn antwoord probeerde te formuleren. Dat is haast een filosofische vraag Marijke, zei hij. Ik wist niet wat een filosofische vraag was, maar wel dat de vraag iets teweeg had gebracht bij hem. Dat stelde me enigszins gerust over het niveau van mijn vraag.
Hij vertelde dat het ontstaan van grenzen een lange geschiedenis had, waar je vele boeken over zou moeten raadplegen om daar antwoord op te krijgen. Dat het te ver zou voeren om in een les te behandelen. Maar ook zei hij dat hij het niet wist, er eigenlijk geen antwoord op had. Dat het voor hem ook een vraag was.

Een filosofische vraag dan.

maandag 8 september 2014

Mijn zusje en ik

We speelden samen met nog een buurtvriendinnetje in het park aan het eind van de Singendonckstraat. Het was eerste Paasdag 1953.

Een meneer verstoorde ons spel en verzocht ons bij een grote boom te gaan staan om 'een mooie foto' van ons te maken. We vertrouwden hem niet, want onze moeder had gezegd: 'nooit spreken met, of iets aannemen van een vreemde meneer of mevrouw!' Maar wij verstonden nog niet de kunst van het afwijzen. Volwassenen waren immers wezens waar je naar moest luisteren, zo waren wij geprogrammeerd. Voor het buurtvriendinnetje was de zaak heel duidelijk. Ze wist het zeker. Als een pijl uit haar boog rende ze naar huis, al schreeuwend: 'dat is een vieze man die vieze dingen met je wil doen!'

Mijn zusje zei ‘ik geloof hem wel, hij wil echt alleen maar een foto maken en ik wil wel op de foto’, en ze ging al in poseerhouding voor de boom staan. Aarzelend, ook al omdat ik haar niet alleen wilde laten, voegde ik mij bij haar.

Tot mijn grote opluchting kwam de meneer een week later bij ons aan de deur met de foto. Onze moeder was er blij mee. En de meneer ook want de foto was niet gratis.


Het meisje met de strik ben ik. De verwarring en achterdocht is op mijn gezicht te lezen.
Mijn zusje lacht onbevangen en voelt zich als een fotomodel...


Oorspronkelijk geplaatst op web-log.nl, 20 mei 2006

zondag 16 maart 2014

Een aubade

 
                                          Een haikuversje
                                          Voor een Japanse Sierkers
                                          Bloesemweelderig


woensdag 15 mei 2013

Dansen (Haiku)


Dansen dansen dans

het leven door en later

danst het dansen door

zaterdag 30 maart 2013

Stil


Zonder beweging

val ik stil
 

graaf diep van binnen

in duistere holen
 

waar naar dan pas blijken zal

waakvlammen welig tieren
 

schijnbaar onbewogen